De vondst bestond uit goudstaven, munten en goudklompjes met een geschatte waarde van ongeveer 9 miljoen euro. De arbeiders meldden de vondst onmiddellijk bij de politie, die de schat in bewaring nam terwijl de autoriteiten de herkomst ervan onderzoeken en vaststellen wie de rechtmatige eigenaar is.

De eerste werknemer die de schat ontdekte, zag het goud aanvankelijk aan voor gewoon metaal, maar naarmate de opgraving vorderde, kwamen er steeds meer baren en munten tevoorschijn. Volgens de Belgische wetgeving heeft iedereen met een geldige eigendomsclaim vijf jaar de tijd om zich te melden. Als er geen eigenaar wordt geïdentificeerd, zal de rechter bepalen hoe de schat uiteindelijk wordt verdeeld.