Tegelijkertijd is onderzoek op dieren, naast onderzoek op mensen (voornamelijk farmaceutische studies), een van de meest gereguleerde gebieden van de wetenschap, met streng ethisch toezicht en een groeiende investering in alternatieven. Toch lijkt er ondanks deze structuur een hardnekkige kloof te bestaan tussen wat er binnen onderzoeksinstellingen gebeurt en wat de samenleving ervan begrijpt.

Het gesprek bestaat, maar vaak in fragmenten, gevormd door extreme standpunten, geïsoleerde beelden of gewoon stilte. Als wetenschap grotendeels gefinancierd wordt door publieke instellingen en bovenal bedoeld is als een publiek goed, dan is dit een onderwerp dat een meer open en geïnformeerde discussie verdient.

Van historische praktijk tot moderne regelgeving

Eeuwenlang zijn dieren gebruikt voor biomedisch onderzoek om anatomie, fysiologie en ziekten te begrijpen. Wat sinds het begin aanzienlijk is veranderd, is de manier waarop dit gebruik wordt ingekaderd, gereguleerd en gerechtvaardigd. Een belangrijk keerpunt kwam in 1959 met de publicatie van The Principles of Humane Experimental Technique, waarin de drie V's werden geïntroduceerd: Vervanging, Vermindering en Verfijning. Deze principes veranderden de manier waarop wetenschappers dierproeven benaderden, in een poging om zowel de ethiek als de wetenschap te verbeteren, omdat slecht dierenwelzijn in verband bleek te staan met onbetrouwbare gegevens, wat betekende dat ethische overwegingen en wetenschappelijke kwaliteit met elkaar verbonden waren.

Vandaag de dag werken landen binnen de Europese Unie volgens Richtlijn 2010/63/EU, een van de meest uitgebreide regelgevende documenten ter wereld. De richtlijn erkent dieren als wezens met gevoel en vereist dat alle projecten een schade-batenanalyse ondergaan voordat ze worden goedgekeurd. Onderzoekers moeten rechtvaardigen waarom dieren nodig zijn, aantonen dat er geen haalbare alternatieven zijn en ervoor zorgen dat het lijden tot een minimum wordt beperkt.

Portugal volgt deze richtlijn via wetsbesluit 113/2013. In de praktijk betekent dit dat al het onderzoek waarbij dieren betrokken zijn meerdere lagen van toezicht moet doorlopen. Onderzoekers hebben formele training en accreditatie nodig, instellingen moeten organen voor dierenwelzijn hebben die verantwoordelijk zijn voor de evaluatie van projecten en het toezicht op de naleving, en faciliteiten worden regelmatig geïnspecteerd, soms zonder voorafgaande kennisgeving. Belangrijk is dat dit systeem expliciet is ontworpen om het gebruik van dieren te verminderen en uiteindelijk te vervangen.

Wat gebeurt er in een proefdierfaciliteit en waarom is dat belangrijk?

Voor veel mensen is het idee van een dierfaciliteit abstract, vaak meer gevormd door sciencefictionfilms dan door directe kennis. In werkelijkheid zijn deze omgevingen zeer gecontroleerd en gestandaardiseerd.

Dieren worden gehuisvest onder zorgvuldig gereguleerde omstandigheden, waaronder temperatuur, lichtcycli en milieuverrijking. Hun gezondheid wordt continu gecontroleerd door getraind personeel en dierenartsen. Elke procedure moet vooraf worden goedgekeurd, gecategoriseerd naar verwachte ernst en later gerapporteerd op basis van de werkelijke impact op het dier. Dit neemt de ethische spanning die inherent is aan dierproeven niet weg. Het laat echter wel zien dat het huidige systeem is opgebouwd rond het erkennen van die spanning.

Tegelijkertijd blijft de wetenschappelijke rechtvaardiging voor het gebruik van dieren gekoppeld aan hun biologische complexiteit. Levende organismen stellen onderzoekers in staat om interacties te bestuderen die in vitro of in silico nog niet volledig kunnen worden nagebootst. Immuunreacties, hormonale regulatie en gedrag zijn voorbeelden van systemen waarbij meerdere lagen van de biologie op elkaar inwerken op manieren die nog steeds moeilijk te modelleren zijn.

Er zijn echter beperkingen: diermodellen bootsen de menselijke biologie niet perfect na en veel bevindingen worden niet omgezet in effectieve behandelingen, wat bijdraagt aan wat vaak wordt beschreven als een reproduceerbaarheids- of vertaalprobleem in biomedisch onderzoek. Tegelijkertijd breiden alternatieve benaderingen zich snel uit. Tegenwoordig nemen onderzoekers hun toevlucht tot celculturen, organoïden (orgaanachtige celstructuren die in een laboratorium worden gekweekt), computationele modellen en microfysiologische systemen, die steeds geavanceerder en geperfectioneerder worden, voordat ze overgaan op dieren of voor een specifieke mechanistische hypothese (bijvoorbeeld het effect van een verbinding in een specifieke cel). In Europa zijn dierproeven voor cosmetica bijvoorbeeld al verboden. Het huidige landschap bevindt zich dus in een overgangsfase, waarin traditionele modellen bestaan naast opkomende technologieën die deze modellen willen vervangen.

Transparantie, gebrek daaraan en de invloed ervan op de publieke perceptie

Gezien de mate van regulering en het wetenschappelijke belang van het onderwerp, zou je verwachten dat dierproeven uitgebreid besproken worden. En dat gebeurt ook binnen de wetenschappelijke gemeenschap en tot op zekere hoogte in de publieke sfeer (voornamelijk door non-profitorganisaties). Er lijkt echter een gebrek te zijn aan een open kanaal tussen beide.

Deels ligt dit aan de misvatting over hoe dieren tegenwoordig worden behandeld. Communiceren over dierproeven houdt in dat een niet zo overeengekomen ethisch dilemma aan de kaak wordt gesteld, dat complexe procedures, ethische afwegingen en wetenschappelijke onzekerheden moeten worden uitgelegd en dat het risico op verkeerde interpretaties bestaat, vooral wanneer beelden of video's uit hun context worden gehaald. Belangrijk is dat we het verleden van mishandeling en enkele gedocumenteerde gevallen van wangedrag erkennen die een blijvende impact hadden op de publieke perceptie, en dat kan verklaren waarom institutionele organismen vaak voorzichtig blijven.

Recente gegevens van de Portugese Transparantieovereenkomst voor proefdieronderzoek suggereren dat interne weerstand en een gebrek aan middelen nog steeds worden gezien als belemmeringen voor meer transparantie. Desondanks meldden de meeste deelnemende instellingen proactieve inspanningen om met het publiek te communiceren. Veel instellingen maken gebruik van sociale media, organiseren evenementen en bieden mogelijkheden voor bezoeken. Sommige zijn begonnen met het delen van foto's en video's van hun faciliteiten en dieren. Hoewel slechts een klein aantal instellingen toegankelijke samenvattingen van hun onderzoek of gedetailleerde statistieken over het gebruik van dieren publiceert.

Dit zorgt voor een interessante paradox. Aan de ene kant is er een groeiende bereidheid onder wetenschappers om te communiceren. Aan de andere kant zijn er nog steeds structurele en culturele factoren die deze communicatie beperken. Het resultaat is een gefragmenteerd beeld, waarin informatie wel bestaat, maar niet altijd gemakkelijk toegankelijk of consistent gedeeld wordt.

Hoe ziet de toekomst eruit?

De toekomst van dierproeven zal geleidelijk veranderen. Elke dag worden er nieuwe humaan-relevante modellen ontwikkeld, experimenteel design en transparantie worden serieuzer genomen dan ooit bij financieringsaanvragen, het indienen van onderzoeksartikelen en ethische commissies. Het uiteindelijke doel is dat we tegelijkertijd het proefdiergebruik verminderen en zorgen voor een soepele overgang die nog steeds zinvolle en betrouwbare kennis oplevert.

We kunnen niet negeren dat de wetenschap afhankelijk is van het vertrouwen van het publiek en de plicht heeft om een beter begrip te geven van wat ze doet. Ondanks de toename in de communicatie over transparantie van proefdiergebruik, moet de wetenschappelijke gemeenschap meer doen. Het erkennen van haar beperkingen en het uitleggen van haar rol is misschien wel net zo belangrijk als elke technologische ontwikkeling. Het is duidelijk dat dit een bredere maatschappelijke discussie op gang kan brengen, maar het is beter dat dit gebeurt op basis van informatie dan op basis van aannames.

Uiteindelijk is het misschien niet eens de vraag of dierproeven in hun huidige vorm moeten blijven bestaan, maar hoe lang ze nog nodig zijn. Het antwoord zal waarschijnlijk niet alleen afhangen van de wetenschappelijke vooruitgang, maar ook van de bereidheid om het onderwerp publiekelijk te confronteren. Want als er één ding duidelijk is, dan is het wel dat zwijgen de discussie niet makkelijker heeft gemaakt en het beleid en de perceptie van de samenleving niet ten goede heeft veranderd.