Volgens de definitieve uitslag die door de IJslandse openbare omroep RÚV is bekendgemaakt, stemde in totaal 52,8% tegen hervatting van de onderhandelingen, tegenover 47,2% die het voorstel steunde.

De opkomst bedroeg 82,5%, een van de hoogste percentages die het land de afgelopen jaren heeft gekend.

Het resultaat betekent geen directe afwijzing van het EU-lidmaatschap. Aan de IJslanders werd juist gevraagd of hun regering de onderhandelingen met Brussel, die meer dan tien jaar geleden werden opgeschort, opnieuw moest opstarten.

Als de „ja“-campagne had gewonnen, hadden de onderhandelingen nog voor het einde van 2026 kunnen beginnen en zouden ze naar verwachting ongeveer 18 tot 24 maanden hebben geduurd. Een eventueel akkoord over toetreding tot de EU zou vervolgens in een tweede referendum aan de IJslandse kiezers zijn voorgelegd.

Premier Kristrún Frostadóttir, wiens Sociaal-Democratische Alliantie voorstander was van het heropenen van de onderhandelingen, zei dat de regering de uitslag zou respecteren en tijdens haar huidige ambtstermijn geen toetredingsonderhandelingen zou voeren.

Ze beschreef de hoge opkomst als een overwinning voor de democratie in plaats van als een politieke tegenslag.

Reykjavík steunt de onderhandelingen

De steun varieerde aanzienlijk in het hele land.

Reykjavík steunde de heropening van de onderhandelingen, met een steun van tussen de 55% en 58% in de kiesdistricten van de hoofdstad, terwijl de tegenstand op het platteland van IJsland rond de 60% lag.

Door deze uitslag blijft IJsland buiten de EU, maar is het nog steeds nauw geïntegreerd met Europa.

Het land maakt, net als Noorwegen en Liechtenstein, deel uit van de Europese Economische Ruimte, waardoor het toegang heeft tot een groot deel van de interne markt van de EU. Het maakt ook deel uit van het Schengengebied en de Europese Vrijhandelsassociatie.

IJsland diende in 2009, na de financiële crisis, voor het eerst een aanvraag in voor EU-lidmaatschap. De onderhandelingen begonnen het jaar daarop, maar werden in 2013 opgeschort nadat een eurosceptische regering aan de macht kwam.

De visserij is al lange tijd een van de moeilijkste kwesties in de relatie tussen IJsland en de EU. De sector is van cruciaal belang voor de economie van het land, en tegenstanders van het lidmaatschap hebben hun bezorgdheid geuit over het afstaan van zeggenschap over visquota en mariene hulpbronnen.

De laatste tijd is het debat echter breder geworden en gaat het niet meer alleen over economische kwesties.

De Russische invasie van Oekraïne, de toenemende spanningen in het Noordpoolgebied en de herhaalde interesse van de Amerikaanse president Donald Trump om controle te krijgen over het naburige Groenland hebben opnieuw vragen opgeroepen over de veiligheid van kleinere Europese landen.

IJsland is een van de oprichters van de NAVO, maar is het enige lid van het bondgenootschap zonder een staand leger. Het land heeft ook een bilaterale defensieovereenkomst met de Verenigde Staten.

Minister van Buitenlandse Zaken Þorgerður Katrín Gunnarsdóttir, die voorstander was van het hervatten van de EU-onderhandelingen, had in de aanloop naar het referendum betoogd dat de toenemende internationale instabiliteit de relatie van IJsland met Europa steeds belangrijker maakte.

Voorlopig hebben de kiezers er echter voor gekozen om de bestaande Europese afspraken van het land te handhaven in plaats van de kwestie van het lidmaatschap opnieuw ter discussie te stellen.

De regering heeft bevestigd dat de toetredingsonderhandelingen tijdens haar huidige ambtstermijn niet zullen worden hervat; de volgende algemene verkiezingen in IJsland moeten uiterlijk in november 2028 plaatsvinden.